Oestercultuur

Geschiedenis

De Zeeuwse oestercultuur dateert uit omstreeks 1870.
Daarvóór werden uitsluitend oesters gevist op de zogenaamde wilde banken,
die hiervoor werden opengesteld door het bestuur van de visserijen.
Ook was er een levende handel in geïmporteerde oesters uit Engeland
en Schotland.
Nadat het grootste gedeelte van de beschikbare gronden verpacht was,
ging men zich pas echt toeleggen op de cultuur.
Om zaaigoed te verkrijgen ging men collecteurs uitzetten in de vorm
van onder andere gekalkte dakpannen. Het aantal uitgezette dakpannen varieerde
van 20 miljoen in 1885 tot slechts 20 duizend in 1930.  Ook gebruikte men kokkel- en
mosselschelpen als collecteurs, de zogenaamde natuurlijke methode.

Voortplanting

Oesters zijn protandrisch hermafrodiet, d.w.z. een individu brengt
het tweede jaar, waarin het geslachtsrijp is geworden, eerst spermatozoïden voort,
en daarna eicellen. Ze zijn meestal om het jaar mannelijk of vrouwelijk.
De bevruchting heeft inwendig plaats, de embryo's doorlopen hun eerste
ontwikkelingsfase in de mantelholte. 's Zomers (juli - augustus) heeft de oester "broed in de baard".
De embryo's zijn eerst doorschijnend en vormen een melkachtige vloeistof.
In een later stadium vormt zich pigment in de larven waardoor zij erg donker worden (zwart broed).
Daarna komt de larve vrij en leeft enkele dagen planktonisch, dat is vrijzwevend, in het water.
Daarna hecht de larve zich aan een steen of paal vast.

Broedvangst

Voor het opvangen van de larven zijn schone harde voorwerpen nodig.
Men gebruikte hiervoor gekalkte dakpannen, die in de maand juli
massaal in het water werden gebracht. De geschiktste plaatsen hiervoor
waren het gebied vanaf Wemeldinge tot het Goese Sas, de Zandkreek en
een gedeelte bij Stavenisse. Ook werden en worden nog mosselschelpen
gebruikt als collecteurs. Deze schelpen werden gezaaid op percelen achter in de
kom van de Oosterschelde.
De geloste dakpannen of collecteurs plaatste men keurig op een rij,
waardoor een goede doorstroming van het water met de aanwezige larven plaats kon vinden.
In de herfst haalde men alle dakpannen op en werden ze opgeslagen in speciaal hiervoor
aangelegde bewaarputten in de Oosterschelde.

Bewerking

In het voorjaar mei - juni begon men met het van de dakpannen afsteken van de jonge oestertjes.
Deze varieerden inmiddels in grootte van een kwartje tot een gulden.
Dankzij de kalklaag op de dakpannen konden ze één voor één met een mesje worden afgestoken.
De afgestoken oestertjes werden gesorteerd en tijdelijk in de binnenputten opgeslagen.
Regelmatig bracht men de jonge oestertjes naar het zogenaamde "Noorden" een gebied ten noorden
van Yerseke, waar de oestertjes in gazen bakken of zeven verder werden opgekweekt.
Op deze wijze verkreeg men een uitstekende kwaliteit zaaioesters, die vanaf dit stadium op een
kweekperceel konden opgroeien. Na plusminus 3 á 4 jaar is de oester geschikt voor consumptie.
De zogenaamde natuurlijke methode, het zaaien van mosselschelpen is veel minder arbeidsintensief.
Men moet echter wel rekening houden met veel meer misvormde exemplaren.

 
   
 
Oesterteelt nu

Tijdens de strenge winter van 1963 is het gehele oesterbestand uitgeroeid.
Met het oog op de afsluiting van de Oosterschelde besloten alle kwekers hun bedrijf te beeindigen.
Een aantal oesterexporteurs ging op eigen risico door met het uitzaaien van Franse zaaioesters,
die in één seizoen geoogst moesten worden. Op deze wijze wisten zij hun marktaandeel te behouden.
Vele jaren ging het goed, totdat in 1980 met de Franse zaaioesters de ziekte Bonamia Ostrea werd geïmporteerd.
Het in die jaren opgebouwde voorraadje echte Zeeuwse oesters stierf vrij snel.
De directeur van de visserij besloot toen tot een algeheel importverbod.
Door een aantal handelaren was in de jaren 60 ook Japans broed geïmporteerd. Al snel bleek dat het
hier om een zeer sterk soort ging. De vermenigvuldiging in de Oosterschelde verliep vlot, waardoor er nu
een niet onbelangrijke handel in ontstaan is.

Grevelingen>

Thans is er alleen sprake van visserij en cultuur in het Grevelingenmeer, wat betreft de Zeeuwse oester.
Min of meer toevallig bevonden zich tot verbazing van de biologen een vrij grote hoeveelheid oesters in het Grevelingenmeer.
Na veel touwtrekken verkreeg VERVOEX visrechten en percelen om op te kweken.`
Het kweken geschiedt met het uitzaaien van mosselschelpen. Doordat het water in de Grevelingen enkele
graden warmer is en niet meer in verbinding staat met de Noordzee, komt daar veel oesterbroed terecht.
Dat hier ook een gevaarlijke kant aan zit, is reeds gebleken door een hoog percentage schelpziekte ( de schelp teert weg).
Nu, na ca. 6 jaar, komt een groot gedeelte van de oesters van de vrije banken, zoals geschetst in de periode van voor 1870.

Verwerking en opslag

Na het opvissen met de kor worden de oesters in het bedrijf van al het vuil en aangroei ontdaan.
Vervolgens worden ze gesorteerd op gewicht naar het nullensysteem.
De kleinsten worden 1/0 genoemd en de zwaarste 6/0 of ook wel imperialen. Tot aan de levering worden
de oesters opgeslagen in de binnendijkse bassins. Deze bassins zijn met een duiker vorbonden met het buitenwater,
waardoor zeewater in de bassins kan worden ingelaten.
Vanaf begin september tot half mei zorgt elke handelaar dat hij van alle soorten voldoende in voorraad heeft om dagelijks vers te kunnen leveren.

Verzending

De verzending van de oester vindt plaats in houten vaatjes of mandjes, in aantallen van 12 tot 250 stuks per soort.
Een ervaren transportbedrijf zorgt al jaren dat de oester op tijd in Antwerpen, Brussel en vele andere
plaatsen in België aanwezig zijn.
In de week voor kerst begint de grote campagne, met man en macht wordt gewerkt om alle bestellingen
te kunnen leveren.
Ook tussen kerts en nieuwjaar worden grote hoeveelheden oesters geconsumeerd.
Het totaal aantal geleverde oesters (Ostrea Edulis) bedraagt plusminus 10 miljoen stuks.
Vóór de fatale winter van 1963 was dit ca. 30 miljoen stuks per jaar.