Archeologie in het OosterscheldeMuseum

Het stukje archeologie in het OosterscheldeMuseum bestaat voornamelijk uit vondsten van verdronken
dorpen in de Oosterschelde (het ‘Verdronken land van Zuid-Beveland’ en de ‘Verdronken stad Reimerswaal’,
van na de St. Felixvloed ofwel ‘de Quade Saterdach 5 november 1530’).

Naast wat menselijk en dierlijk materiaal bestaan de vondsten voornamelijk uit vaatwerk.
 

We onderscheiden in hoofdzaak een drietal verschillende soorten aardewerk.
Het lichte ‘Pingsdorf- vaatwerk’ is met een vrij hoge temperatuur (onder de 900°C.) reducerend gebakken.
Reducerend bakken wil zeggen: bakken zonder toelaten van zuurstof bij het vuur.

Door dit bakproces werden de potten en kannen redelijk waterdicht. Later werd door het baksel te
bestrijken met loodoxide een beter bruikbaar product verkregen, het aardewerk bleef echter erg
licht van kleur. Dit proces, het glazuren met loodoxide, werd later vervangen of aangevuld
door zoutglazuur, ± 8ste -9de eeuw, zout was beter te verkrijgen, dus goedkoper en mooier van kleur.
Veel verschillende kleuren kwamen voor, afhankelijk van de mineralen die aanwezig waren in het zout.
Later ging men gericht koper (mooie groene kleuren) toevoegen, maar ook ijzeroxide (roest) voor meer
rode kleuren. Het zout bevatte nog veel potas, zand en kalk, door het sinteren bij hoge temperatuur
verglaasde dat, het werd een glasachtige laag.

Het latere zogenaamde ‘Siegburg – steengoed’ werd gebakken bij temperaturen van minstens 1300°C.
Nu bakte men oxiderend (dus met toelating van zuurstof bij het vuur), met als gevolg hogere temperaturen.
Licht voorgebakken aardewerk werd gevuld met ijzerhoudend slib, ijzeroer met slappe klei (om ook de
binnenkant te glazuren) en na enige wachttijd leeggegoten, de buitenzijde werd daarna met het
ijzerhoudende slib bestreken,
waarna het op hoge temperatuur werd afgebakken. Het aardewerk werd door dit bakproces (sinteren) veel harder en dus minder kwetsbaar in het gebruik en beter bestand tegen het koken op open vuur.
Dit aardewerk is herkenbaar aan zijn roodbruine tot roodpaarsachtige kleuren.

Verder is er één halve pot en wat potscherfmateriaal van een nog vroegere bakmethode.

Dit zogenaamde ‘vroeg –Duitse aardewerk’ was lichtgeel tot lichtbruin van kleur.
Tijdens het bakken van de vette klei ontstonden er veel misbaksels, het gaf ook veel gebroken aardewerk.
Om dit te voorkomen werd er grof zand door de klei gemengd, waardoor het baksel beter bestand was
tegen het uitzetten en krimpen tijdens het bakken. Het zand (meestal uit de Rijn) bevatte verschillende mineralen, waaronder ook wat ijzer. Het baksel kreeg hierdoor een lichte kleuring. Verder werd dit vaatwerk beschilderd met aardverven, oker, omber en witte klei.
De beschildering bestond hoofdzakelijk uit komma- en halve maanvormige figuren.

Toen men later dit aardewerk ook op hogere temperaturen ging bakken, verdwenen deze kleuren
 in de ondergrond en werden daardoor onzichtbaar.